J.J. Voskuil

Terloops

Voettochten 1957-1973
Reisdagboeken



[Omslag van Terloops] Eerste druk gebonden Euro 28,50; isbn 90 282 4101 9; 280 pp.
Tweede druk ingenaaid Euro 18,50; isbn 90 282 4102 7; 280pp.

Tekstfragment:


Brive - Cahors
(Dordogne, Lot)
1957

maandag 20 mei
Het wordt langzaam licht. Er komt een fiets voorbij. Als ik mijn ogen even opendoe, zie ik in het vage licht de rugzakken en schoenen tegen de muur staan. In de verte, over de Rozengracht, rijdt een zware auto. Daarna is het weer stil, alleen het kwetteren van duiven. Niet denken! Slapen! Het wordt lichter. Het zachte kwaken van eenden, vlak voor de deur. Ik hoor ze over de stoep schuifelen. Als ze overreden worden ligt er straks een dooie eend voor de deur. Dat zou een leuk begin van de tocht zijn. L. wordt wakker. Ze komt overeind en kijkt hoe laat het is. Haar pyjamajasje zit omhoog, haar rug is bloot. Ze zakt met een zucht terug, trekt het laken tot haar neus en doet even haar ogen open. 'Dag,' zegt ze slaperig. Nog een fiets. Het kwetteren van de duiven is overgegaan in koeren. Ik verbeeld me even dat ik een kikker hoor, maar begrijp dan dat het een eend moet zijn. Kikkers zitten hier niet.

Halfzes. De zon staat op de boekenkast. Eruit! Terwijl ik me aankleed, begint in mijn hoofd een van de laatste tophits rond te zingen: Maar nooit bracht je mai-ai naar huis. Jezus, wat een rotlied! Er komen arbeiders langs het raam, een tas op hun rug.

Zes uur. Op straat is het nog stil. Schapewolken. De Rozengracht ligt er verlaten bij. In de bus zit een handjevol slaperige mensen. De stationshal is leeg, maar als we in de trein zitten, komen er voortdurend mannen met kleine tassen aanlopen en als we wegrijden, staan er op het perron plotseling mensen, in groepjes, kranten te lezen of gewoon met hun tas aan de hand.

In Den Haag krijgen we drie louche mannen in onze coupé, van wie er twee bij elkaar blijken te horen. De man schuin tegenover me draagt een randloze zonnebril, een horloge met witte schakels, een zwarte das los om zijn hals en een snorretje. Hij praat. De ander is een zwijger. Ook zijn ogen zitten verborgen achter een zonnebril, maar zijn gezicht is vriendelijker. 'Zaterdag nog uit Brussel gekomen,' zegt de eerste achteloos, 'met De Jager. Met de Tempol vooruitgereden tot de grens en hem daar overgenomen.' De ander knikt. 'Duizend of veertienhonderd?' vraagt hij. - 'Daar bemoei ik me niet mee. Geen kaas van gegeten.' Ze zwijgen even. 'Maakt het nog verschil?' vraagt hij dan. - 'Allicht.' - 'Maar toch niet voor het chaufferen?' - 'Veertienhonderd slaat gauwer af,' zegt de zwijger kort. Een vierde man voegt zich bij ons. Hij blijkt de twee te kennen. 'Weet jij al waar je vrijdag naar toe moet?' vraagt de eerste hem. - 'Ik ken het weten,' zegt hij, 'maar het interesseert me niet.' Het is een ouwe rot in het vak. Soms moet hij karavanen leiden, maar daar word je geen cent wijzer van. Het gesprek komt op Parijs. 'Straal van 21 kilometer,' zegt de laatst binnengekomen. 'Daar vind je de weg niet, niet als je er tien keer bent geweest en niet als je er twintig keer bent geweest. Maar als ik jou leid, dan raak jij mijn niet kwijt, omdat jij een collega bent.' - De eerste knikt. - 'En dan vind ik het geen manier om een ander erbij te lappen als je zelf nog niet eens de weg weet.' Het gesprek komt op een collega die dat wel heeft gedaan en die er twintigduizend gulden van zijn vrouw heeft doorgejaagd. 'En als ík naar Parijs gaat,' zegt de vierde, 'dan neem ik zes doosjes sigaren mee, niet meer, want het moet niet te gek worden weet je, en dan wat champagne mee terug, kun je in Parijs van uitgaan weet je, want ik blijf niet op mijn hotelkamer zitten, zoals sommige andere jongens, dat ken je nog wel doen als je zeventig ben.' Bij de grens, als de douane geweest is, verdwijnt hij in de wc, en loopt zo de conducteur mis. 'Zie je,' zegt hij, 'zo moet je dat doen als je nog eens naar Brussel gaat. Heb je weer achttien gulden verdient.' En daarmee zijn ze definitief teruggebracht tot drie ongevaarlijke, Hollandse jongens. Als ze in Brussel uitstappen, groet de zwijger vriendelijk.

De aankomst in Parijs is geen sensatie meer. Bij de trein voert een conducteur een paar straathonden, een kring mensen eromheen. Bij de ingang naar de metro staat een man die ons naar een taxi wil brengen. We rijden met de metro naar Hotel des Arčnes, achter de Jardin des Plantes. Alle kamers zijn bezet, maar om acht uur komt er een vrij. We laten de rugzakken achter en drinken wat op een terras aan de Boulevard St. Michel. Twee jongens laten zich door een meisje fotograferen, de armen om elkaars schouders. Een grote, zware jongen met zwarte krulletjes trekt zijn jasje uit, waaronder een donkerblauwe meisjestrui en dikke, blote armen. Hij neemt een vechthouding aan en tilt zijn knie snel omhoog naar de buik van een ander. Een klein meisje laat zich door iedereen afzoenen.
In het Luxembourg worden de sinaasappelboompjes in hun tonnen naar hun plaats gemanoeuvreerd door twee paarden achter elkaar, drie arbeiders en een parkwachter. De mensen schuiven wat opzij. De paarden trekken vooruit, opzij, andere kant op. Er worden balken achter de wielen geschoven. Een oud, in het zwart gekleed vrouwtje komt waarschuwen dat er balken achter de wielen liggen en dat dat te zwaar is voor de paarden. Moeders, spelende kinderen, studenten, de stoelenverhuurster met haar hengseltas. Een klein jongetje komt resoluut aanlopen en smijt zijn schepje tussen de balustrade door naar beneden, waarna hij tevreden tussen de spelende kinderen verdwijnt. Een oude man met een uitgezakt jasje en een vriendelijke bril vindt een sjaal. Hij loopt rond, een boek onder zijn arm, de sjaal aan een punt in zijn hand, en vraagt links en rechts. Dan blijft hij staan, kijkt besluiteloos rond, bekijkt de sjaal, loopt opnieuw rond, vraagt, blijft weer staan, en is dan onverwacht verdwenen.

Overgenomen met toestemming van Van Ootschot

One page up


Last change of this page: 2004