Fragment uit Requiem voor een Vriend
J.J.
Voskuil
November 2002
![[Omslag van Requiem voor een
Vriend]](http://huizen.dds.nl/~jdfvh/afbeeldingen/requiem2.jpg)
We spraken met hen af bij Scheltema, toen nog het journalistencafé op de Nieuwezijds
Voorburgwal. Het was er stampvol, maar we wisten een tafel tegen de muur te
bemachtigen. Vandaar zagen we ze aan komen, Jan in zijn nette pak, shawl om, pet op,
Elizabeth in een geruite plooirok met blazer. Voor de deur werden ze aangesproken door
een zigeunerkind. Hij boog zich voorover en zei iets, waarna hij met Elizabeth achter zich
aan het café binnenkwam. ‘Dat kind wou een gulden hebben!’ schreeuwde hij boven
het rumoer uit. ‘Een gulden! Ik heb gezegd dat als mijn kinderen geld nodig hebben, dat
ze dan kranten gaan bezorgen. Ha! ha! Daar had hij geloof ik nog nooit van gehoord!’
‘Wat verschrikkelijk snobistisch om hier met ons af te spreken,’ zei Elizabeth
door zijn opmerking heen. ‘Ha! ha! Ik wist niet dat jullie zo snobistisch waren!’
Door hun kleding en het lawaai waarmee ze binnenkwamen, trokken ze algemene
aandacht.
‘Wat drinken we?’ riep Jan boven haar uit. ‘Hebben jullie al besteld? Wat wil
jij, Lies?’ Hij stak zijn hand op naar de ober.
‘Een sherry maar,’ zei ze.
‘Ik wou lever met spek en uien eten,’ waarschuwde ik.
Hij keek naar de ober, die inmiddels onze tafel bereikt had. ‘Jullie ook nog?’
vroeg hij gehaast, en daarna zonder ons antwoord af te wachten: ‘Drie jonge en een
sherry graag. Wat moet het zijn, Lies? Droog? Medium?’
Terwijl de ober wegliep, wendde hij zich tot ons. ‘Dit is vertrouwelijk,’ hij
dempte zijn stem wat, ‘maar ik heb van insiders uit de top van de vvd gehoord dat Hare
Majesteit heel ontevreden is over dit kabinet en ik verwacht dat ik diep in het geheim de
opdracht krijg om een nieuw kabinet te vormen. Ben jij in dat geval bereid om Minister
van Onderwijs te worden?’ Nog voor ik kon antwoorden, stak hij bezwerend zijn hand
op. ‘Ik zeg niet dat je het wordt! Ik denk ook nog aan Pen! Ik ben me op het ogenblik zo
breed mogelijk aan het oriënteren om straks meteen met een voordracht te kunnen
komen. Ik wil nu alleen maar weten of je in principe bereid bent! Over de details kunnen
we later nog praten! Ben je daartoe bereid, of moet ik je van het lijstje schrappen?’
Hoewel hij zijn stem gedempt had, was hij aan de tafeltjes om ons heen nog te
horen. Het was daar stil geworden. Men luisterde mee. Ik had de indruk dat hij zat was.
‘Daar zou ik toch eerst over moeten nadenken.’
‘Natuurlijk! Je hoeft je nog niet te binden! Ik vraag je alleen of je er wat in ziet!’
Hij sloeg zijn borrel achterover en stak zijn hand op om een nieuwe te bestellen. ‘Jullie
ook nog?’ vroeg hij gehaast, naar onze glazen kijkend.
‘Zou je niet wat minder drinken, Jan,’ waarschuwde Elizabeth.
Hij negeerde dat. ‘Het gaat er nu om,’ zei hij, mij scherp aankijkend, ‘om een
aantal gelijkgezinde mensen om de tafel te krijgen, die bereid zijn orde op zaken te
stellen. Het is een Augiasstal, wat het huidige kabinet ervan gemaakt heeft. Een
Augiasstal! En Hare Majesteit maakt zich daar ernstige zorgen over! Terecht! Dat heb je
niet van mij, ik zeg je dat in het diepste vertrouwen, maar er wordt met geld gesmeten!
Zelfs onder de socialisten gaan er stemmen op dat het zo niet langer kan! Er zal drastisch
bezuinigd moeten worden! Ook op onderwijs!’
‘Natuurlijk! Onderwijs is flauwekul!’
‘Akkoord! Maar het gaat er nu om dat we ook zullen moeten íngrijpen! Ook als
we iedereen tegen ons hebben! Hoe had je je dat voorgesteld?’
‘In de eerste plaats de middelbare school afschaffen.’ Ik had moeite mijn lachen
te houden. ‘Iedereen moet vanaf zijn twaalfde bij een baas. Zoals in de middeleeuwen.
Een soort goeroe-systeem.’
Hij keek me indringend aan. ‘Interessant! Verdomd interessant! Kun je je ideeën
daarover even op schrift stellen. Eén A-viertje is genoeg! Dan vraag ik Pen om hetzelfde
te doen. Misschien kunnen we dan met zijn drieën een keer om de tafel gaan zitten.’ Hij
sloeg zijn borrel achterover zonder mijn antwoord af te wachten en stak zijn hand op.
‘Zou je nou niet eens wat bestellen, Jan?’ zei Elizabeth.
‘Dat was ik net van plan!’ zei hij geïrriteerd. ‘Ik steek mijn hand toch al op?’
‘Ik bedoel eten natuurlijk.’
Hij luisterde niet. ‘Voor mij nog een borrel,’ zei hij tegen de ober. ‘En jullie?’
Hij keek naar ons.
‘Nee, ik niet meer,’ antwoordde ik, naar de ober kijkend. ‘We willen graag wat
eten.’
‘Ik zal de kaart brengen,’ zei de man.
‘En de wijnkaart!’ vulde Jan aan.
‘Die hebben we hier niet.’
‘Hebt u geen wijnkaart? Maar we kunnen hier toch zeker wel een glaasje wijn
drinken?’
‘U kunt een karafje wijn krijgen, als u dat wilt.’
‘Dan maar een karafje.’ Hij richtte zich tot ons. ‘Wat willen jullie? Rood?
Wit?’
‘Dat hangt er toch van af wat we eten,’ zei Elizabeth kribbig.
‘Ik had lever met spek en uien willen eten,’ herhaalde ik. ‘Daar is bier beter
bij.’
‘Dan rood!’ zei Jan tegen de ober. ‘Brengt u maar een karafje rood! Hoeveel
gaat er in zo’n karafje?’
‘Een halve liter.’
‘Dan twee karafjes!’ Hij keek naar L. en Elizabeth.’Of willen jullie er nog een
karafje wit bij?’
Al die tijd werd er aan de tafeltjes om ons heen ademloos geluisterd. Ik was me dat
voortdurend bewust, maar ik wist niet hoe ik hem moest kalmeren. Elizabeth wist dat
kennelijk ook niet. Een paar keer deed ze een poging ertussen te komen, maar hij
overschreeuwde haar, zodat ze er tenslotte het zwijgen toe deed.
‘Juist!’ zei hij, toen de lever gebracht werd. ‘Dat ziet er goed uit! Maar nog
even over dat kabinet! Je begrijpt dat dat voorlopig geheim moet blijven! Alles wat ik hier
gezegd heb, is vertrouwelijk! En ikzelf zal in ieder geval voorlopig op de achtergrond
blijven! Praat er daarom met niemand over tot ik een sein geef!’
Toen we weggingen, sprongen twee jongens in spijkerpakken op om de deur voor
ons te openen. Ze bogen diep. ‘Mag ik u nog een vruchtbare avond toewensen,’ zei een
van hen, onze Haagse stemmen imiterend. Jan merkte dat niet, of hij was zo in zijn rol
dat hij het vanzelfsprekend vond. ‘Je moet goed begrijpen,’ zei hij luid, zich naar mij
omdraaiend. Wat ik moest begrijpen ontging me. Ik was te veel in beslag genomen door
onze potsierlijke aftocht.
[Dit fragment is beschikbaar gesteld door Uitgeverij Van Oorschot]
© van deze pagina JDF van Halsema 2002
One page up
Last change of this page: