
HELD
EN MARTELAAR VAN HET A.P.
BEERTA-INSTITUUT
Recensie van deel 4 van Het Bureau
Door Mirjam van Hengel
'Zo'n briljant intellect! Ik ben er kapot van!' De vriend van Anton Beerta, directeur van
Het
Bureau en geestelijk vader van hoofdpersoon Maarten Koning uit J.J. Voskuils
zevendelige
roman, voorspelt dat het met Beerta nooit meer goed zal komen nadat hij een beroerte
heeft
gehad. 'Bereid je er maar op voor!' riep hij uit aan het eind van deel drie van de cyclus,
'Anton
is plankton geworden!' Inmiddels is deel vier verschenen, Het A.P.
Beerta-Instituut, en weten
de meeste lezers al hoe het er voor staat met de ex-directeur: plankton is hij niet. Veel
veranderd is er wel. Was Beerta aanvankelijk de spil van het Bureau, gaandeweg is hij
naar de
achtergrond verwezen. Na zijn aftreden als directeur bleef hij vanachter het imposante
bureau
op Maartens kamer zijn onnavolgbaar ironische commentaar op de Bureau-perikelen
leveren.
Inmiddels is hij nog verder opgeschoven naar de zijlijn: eerst naar het hospitaal, daarna
naar een
verzorgingstehuis.
Maar wat zich op de achtergrond afspeelt blijft zijn stempel drukken op het geheel. In
Het
A.P. Beerta-Instituut (aan het eind wordt het bureau naar de oprichter vernoemd)
gaat Maarten
elke dinsdag bij Beerta op bezoek. Het eerste bezoek is schrijnend dramatisch. Beerta
barst
voortdurend in snikken uit en probeert Maarten 'luid huilend' te kennen te geven dat hij
dood
wil. Gaandeweg gaat het beter. Beerta gaat ondanks zijn verlamming zelfs weer praten en
Maarten leert hem verstaan. Wil je als lezer hun gesprekken volgen dan zit er vaak niks
anders
op dan hun gesprekken hardop mee te lezen:
Beerta zuchtte. 'Hezzeveziz ommzjema moeizez.'
'Het leven is moeilijk,' begreep Maarten.
Beerta schudde zijn hoofd. 'Ommoozjema moeizez!' zei hij met wat meer
nadruk.
'Ommoozjema moeilijk,' herhaalde Maarten, zoekend naar de betekenis van die
klanken.
'Ommoozjelza,' verbeterde Beerta.
'Onvoorstelbaar!' zei Maarten. 'Het leven is onvoorstelbaar moeilijk!'
Beerta knikte. 'Maazizj mezjaaz me niezj,' zei hij berustend.
'Nee, dat weet ik.'
De terugkerende bezoekjes zijn de steeds terugkerende hoogtepunten in dit vierde deel.
Hoe
onbeholpen het contact ook verloopt, Maartens geduld en toewijding zijn ontroerend en
voor
hem moet Beerta toch nog een wankele rots in de branding geweest zijn. In de branding
gaat
het weer flink tekeer. Waar Maarten in het vorige deel nog zei dat hij alleen maar steeds
meer
werk op zich nam om er vanaf te zijn, om zijn schuldgevoel te bezweren, is voor de
toenemende hoeveelheid verantwoordelijkheid die hij op zijn schouders neemt nu elk
excuus uit zicht
verdwenen.
Zijn inhoudelijke betrokkenheid bij het vak groeit, hoezeer die betrokkenheid ook gericht
is
op zijn behoefte uiting te geven aan zijn overtuiging dat het werk dat het Bureau doet
nutteloos
is. Wetenschap bestaat sowieso niet, vindt hij. En de illusie die aan zijn vak ten grondslag
ligt,
als zou het verzamelen van traditionele gebruiken uiteindelijk leiden tot kennis over het
verleden, is hij allang verloren. Daarover schrijft hij echter uitvoerige en bevlogen
artikelen voor het
nieuwe tijdschrift Bulletin, die hemzelf emotioneren ('Zo wordt er nooit
over wetenschap
geschreven'). Verder voelt Maarten zich langzamerhand zonder terughouding
verantwoordelijk
voor het reilen en zeilen van zijn afdeling. Hij is een echte baas geworden, zo iemand
naast wie
in de kantine het langst een stoel leeg blijft. Hij maakt af en toe ferm gebruik van het feit
dat hij
het voor het zeggen heeft en de macht lijkt hem beter te passen dan hij soms beweert.
Tegelijkertijd blijft zijn behoefte aan waardering en aan saamhorigheid groot. Solidariteit
vindt hij het mooiste wat er is: 'mensen die elkaar het werk uit handen nemen, een
machine die
geruisloos functioneert. Dat is het enige wat me interesseert.' Aan het werk heeft Maarten
een
hekel, hij meent dat het hen wordt opgedrongen en dat je het alleen met loyaliteit en 'een
uiterste aan gevechtskracht' kunt bestrijden. 'Door als zo'n gevechtsgroep op te treden,
houden
mensen een mythe in stand, die het werk voor mij draaglijk moet maken'. Maartens
tragiek is
dat die mythe voornamelijk in zijn eigen hoofd bestaat en zijn mensen al te vaak zijn
goede
bedoelingen niet zien - noch de meisjes van de documentatie, noch de wetenschappelijk
medewerkers Bart en Ad. Waar hij toenadering zoekt, trekken anderen zich terug; waar
hij
democratisch beslissingen denkt te nemen beschuldigen anderen hem ervan zijn zin door te
drijven.
Vooral Bart Asjes, die in dit deel minstens zo'n geprononceerde rol speelt als Beerta, is
daarin onverbeterlijk. Dat de minderheid zich altijd bij de meerderheid moet neerleggen
vindt
hij kwalijk - hijzelf is vrijwel altijd die minderheid. 'Dat ben ik dan niet met je eens',
zegt hij
voortdurend en zijn onwil om vervolgens een standpunt (welk standpunt dan ook!) in te
nemen
haalt iedereen het bloed onder de nagels vandaan. Maar Bart vertegenwoordigt
tegelijkertijd,
net als Maartens vrouw Nicolien, de onwrikbare trouw aan eigen principes die Maarten
stelselmatig verloochent. In vergelijking met Bart is Maarten een charlatan die niets
serieus neemt,
nergens consequenties uit trekt, vooral niet uit zijn eigen weerzin tegen alles waar hij mee
bezig is.
Wie de eerste delen van Het Bureau niet gelezen heeft en nu begint met
Het A.P. Beerta-Instituut (het kán), krijgt van Maarten
waarschijnlijk een iets andere indruk dan wie hem
gevolgd heeft vanaf het begin. De opmerkingen over zijn gevoelens van bedreigdheid en
verlatenheid hebben steeds minder te maken met zijn dagelijks optreden. Meer en meer
wordt
Maarten de cynicus die zich vastbijt in iets waarvan hij zegt dat het zijn diepe weerzin
oproept
maar waar hij desondanks voortdurend en fanatiek mee in de weer is. 'Held en martelaar
en daar
dan als profiteur weer stiekem van genieten' in die rol zegt hij zichzelf te herkennen. Het
is een
bijna akelig scherpe observatie.
De verwrongenheid die Maartens nog steeds moeizame functioneren in de buitenwereld
oplevert, is natuurlijk kolossaal. Voskuil registreert vooral de buitenkant van de strijd,
zelfs de
mededelingen over Maartens emoties wekken welhaast de indruk objectieve constateringen
te
zijn. Waar het boek zijn overtuigingskracht aan ontleent blijft ondoorgrondelijk, maar het
heeft
hier iets mee te maken: dat er door al die afstandelijkheid heen iets kiert waarnaar je als
lezer
onophoudelijk op zoek blijft. Het begint onheilspellend te worden: alsof al die duizenden
pagina's bezig zijn je naar een kern toe te zuigen die je niet kunt zien voor je er bent. Er
resten
nog drie delen.
© Mirjam van Hengel 1998
De tekst van deze recensie is beschikbaar gesteld door de auteur.
Oorspronkelijk gepubliceerd in Het Financieele Dagblad, januari 1998
Deze recensie maakt deel uit de de site: J.J. Voskuil: Het Bureau Feiten & Meningen
One page up
Deze pagina wordt onderhouden door Erik van Halsema